in de oude dorpen van het Vlaams pajottenland
leven nog de geesten in een oude variant
in d’ hoofden van de mensen, die er bang zijn van natuur,
voor fantomen, geesten, die op zoek naar avontuur
mensen kwellen met hun akelige streken
in het donker van het laatste avonduur
als de zon verdwenen is en alles donker wordt
dan komt eerst den hopduvel die altijd stinkt naar wort
en naar ander geuren die de mensen stil doen staan
in de donker’ uren van hun dagelijks bestaan
en de uren die de angsten niet verdragen
duren zo lang dat ze denken: ’t is gedaan
en dan komt het zennebeest op kousenvoeten aan
om de vorten duvel bij nacht en ontij te verslaan
met zijn lompe poten davert heel de ondergrond
en komt er een wrede golf van avondlijke stront
uit de gaten van zijn lijf omhoog gespoten
en ’t meeste komt dan uit zijn vieze dikke kont
eerst wordt er gevochten en gescholden zonder maat
dat zijn de gevolgen van een vreselijk haat
hopduvel en zennebeest zijn ongeneeslijk ziek
in hun stomme koppen raast altijd een oude freak
die hen zegt dat z’op malkander moeten kloppen
de lucht hangt zo de hele nacht vol elektriek